Opmerkelijk Nr. 19
6 november 2024
Kifid 2024-0804 Reden van een stop?
Verzekerde meldt op de reisverzekering diefstal van bagage uit de auto ‘bij een stop om even naar de WC’ te gaan. Verzekeraar weigert om de schade te vergoeden omdat niet voldaan is aan in de voorwaarden van de reisverzekering omschreven dekking voor ‘diefstal uit een motorrijtuig tijdens een korte stop om te pauzeren’. Verzekerde zegt dat de bedoeling was om een lange stop te maken (niet alleen naar de WC, maar ook een bezoek aan het strand). De reden van de stop is van belang omdat als verzekerde een gewone stop maakt, er andere voorwaarden gelden waaraan verzekerde wel had voldaan. Kifid oordeelde dat verzekerde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het de bedoeling was om een lange stop te maken (niet alleen naar de WC, maar ook een bezoek aan het strand). Verzekeraar moest alsnog de schade vergoeden.
Met dank aan Anita Hol-Bubeck voor dit artikel.
Rechtbank Rotterdam, verhaal brandschade op vrijwilliger?
Vrijwilliger bij een kringloopwinkel sluit de winkel af terwijl er nog een kaars brandt. Er ontstaat een forse brandschade; de brandverzekeraar vergoedt de schade aan de eigenaar/verzekeringnemer. De verzekeraar treedt op grond van de betaling (subrogatie) in de rechten van verzekeringnemer en wil de schade proberen te verhalen op de onoplettende vrijwilliger. Verzekeraars hebben in de Bedrijfsregeling Brandregres 2024 vastgelegd dat zij alleen verhalen op degene die bedrijf- of beroepsmatig handelden. De vrijwilliger is echter volgens de Rechtbank Rotterdam géén winkelbediende die als taak had de winkel af te sluiten. De Rechtbank oordeelde dat de vrijwilliger handelde als particulier en dat de verzekeraar niet kan verhalen op de vrijwilliger.
Met dank aan Anita Hol-Bubeck voor dit artikel.
Gerechtshof Amsterdam, ongelukkige sprong in een trampolinepark
Een vrouw is in een trampolinepark na een sprong verkeerd geland in een luchtzak en heeft daarbij een onderbeenfractuur opgelopen. Zij is van mening dat de exploitant van het trampolinepark aansprakelijk voor het ongeval is en eist schadevergoeding. De Rechtsbank oordeelde dat er géén sprake was van onrechtmatig handelen van de exploitant van het trampolinepark (art. 6:162 BW) en ook niet van een gebrekkige zaak (art. 6:173 BW) waar de vrouw haar vordering op baseerde.
De vrouw ging tegen de uitspraak in hoger beroep bij het Gerechtshof en die oordeelde dat de uitspraak van de Rechtbank juist was omdat er geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld en/of bewezen die leidden tot een andere uitspraak.
Met dank aan Anita Hol-Bubeck voor dit artikel.
Eis om schade aan te tonen moet proportioneel zijn GC-Kifid – 2024-0466
Op 28 december 2022 vindt bij de consument inbraak 1 plaats.
Op 29 december 2022 sluit consument een inboedelverzekering.
Op 30 december 2022 vindt bij de consument inbraak 2 plaats.
Op 3 januari 2023 doet consument bij de politie aangifte van inbraak 1 en 2 en meldt de schade uit inbraak 2 bij de verzekeraar. De schade uit inbraak 2 bedraagt bijna € 19.000,–.
Tussen verzekeraar en de consument ontstaat vervolgens verschil van mening of de consument in voldoende mate heeft kunnen aantonen dat zij eigenaar was van de gestolen goederen en welke prijs zij hiervoor heeft betaald. Dit verschil van mening is voorgelegd aan GC-Kifid.
De GC komt hierbij vervolgens tot een kader met betrekking tot de mate waarin een verzekeraar van een consument mag vragen te bewijzen dat hij ten tijde van een inbraak eigenaar was van de opgegeven gestolen goederen. Het kader laat zich als volgt samenvatten:
- Het is aan de verzekerde om te stellen en te bewijzen dat hij eigenaar is van de gestolen goederen waarvoor hij een uitkering claimt.
- Aan deze bewijsopdracht mag de verzekeraar geen al te zware eisen stellen.
- Doorgaans kan worden volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden dat de goederen eigendom zijn van de verzekerde en dat die zijn gestolen.
- Wel mag de verzekeraar hoge eisen stellen aan de volledigheid en consistentie van de verklaring van de verzekerde.
Aangenomen mag worden dat naarmate de geclaimde schade een hoger bedrag betreft, er hogere eisen aan volledigheid en consistentie mogen worden gesteld.
GC-Kifid oordeelde dat de verzekeraar deze hogere eisen in deze zaak mocht stellen en stelde dat deze juist gehandeld heeft.
Wijziging voorwaarden verzekering en redelijke termijn GC-Kifid – 2024-0640
Op 21 november 2022 bericht de verzekeraar aan de consument dat de voorwaarden van de rechtsbijstandverzekering per 1 december 2022 zullen worden gewijzigd. Op 18 december 2023 bericht de verzekeraar aan de consument dat op grond van artikel 9.c. van de nieuwe voorwaarden de verzekering per 18 februari 2024 zal worden beëindigd in verband met het (hoge) aantal rechtsbijstandverzoeken. De consument is het met deze gang van zaken niet eens. Door de GC-Kifid wordt de klant in het gelijk gesteld. De GC-Kifid spreekt uit:
- Een wijziging van verzekeringsvoorwaarden moet binnen een redelijke termijn voor het van toepassen worden van de nieuwe voorwaarden aan de consument worden medegedeeld.
- Dit recht veronderstelt dat de consument voldoende tijd heeft om zich te informeren over een alternatieve verzekering en deze af te sluiten
- Zoals de Commissie in eerdere uitspraken heeft geoordeeld is een termijn korter dan een maand een niet zo’n redelijke termijn.
Opmerkelijk is een uitgave van Bureau DFO ten behoeve van de leden van de DFO Expertisegroep Schadebehandeling. Leden van deze groep houden zich bij financieel advieskantoren, volmachten en schaderegelingskantoren professioneel bezig met het behandelen van schadedossiers. De activiteiten van de DFO Expertisegroep Schadebehandeling zijn erop gericht om de bovenwettelijke deskundigheid en vaardigheid van deelnemers te verhogen en de profilering van het beroep schadebehandelaar te versterken.
Meer informatie over de DFO Expertisegroep Schadebehandeling: https://www.expertisegroepschade.nl: Secretariaat: Martine Verhagen: Expertisegroep@dfobv.nl of tel. 033 – 254 20 29