De consument heeft een opstalverzekering. Verzekerd is schade door storm. Uitgesloten is schade als gevolg van constructiefouten. Consument claimt schade aan zijn schuur als gevolg van storm. De oorzaak van de schade is gelegen in het feit, dat bomen naast de schuur tijdens de storm zijn gaan bewegen en daarmee ook de wortels van de bomen. Dit heeft geleid tot ontzetting van de vloer en de fundering van de schuur. Expert en contra-expert stellen vast, dat de fundering onvoldoende draagkrachtig is voor de schuur en de schuur te dicht bij de bomen staat.
De geschillencommissie Kifid spreekt uit dat de hoofdoorzaak van de schade een constructiefout is en de verzekeraar deze schade niet hoeft te vergoeden.
Uitspraak Geschillencommissie nr. 2022-0748
De consument heeft een doorlopende reisverzekering. Voorafgaand aan zijn reis naar de wintersportbestemming laadt hij de bagage in zijn auto. Op het moment dat de consument de volgende ochtend vroeg wil vertrekken, blijkt er ingebroken te zijn in de auto en is de bagage verdwenen. De verzekering bevat de voorwaarde, dat van de verzekerde wordt verwacht dat deze in redelijkheid te nemen maatregelen neemt om schade te voorkomen. Verzekeraar weigert uitkering. Verzekerde stelt dat hij deze maatregelen heeft genomen:
De geschillencommissie Kifid wijst vergoeding van de schade af: Uit de overwegingen van de commissie:
De commissie oordeelt dat de consument betere maatregelen had kunnen treffen. De consument had de auto de ochtend van vertrek in kunnen pakken. Hij heeft redenen aangevoerd waarom hij daarvoor niet heeft gekozen, maar de commissie vindt deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen. Anders dan de consument van mening is, is niet vereist dat aan de zijde van de consument sprake moet zijn van een ernstige mate van schuld. Dit volgt niet uit artikel 4.6.9 van de verzekerings-voorwaarden, maar ook niet uit de uitspraken van de commissie die van meer recentere datum zijn.
Uitspraak Geschillencommissie nr. 2022-0785
Op grond van art. 7:929 lid 1 BW kan de verzekeraar de gevolgen van het niet-nakomen van de mededelingsplicht slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer daarop wijst binnen twee maanden na ontdekking onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Voor de ‘ontdekking’ zoals hier bedoeld is, volgens de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling, een vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet voldoende maar is (ook) nodig dat de verzekeraar een voldoende mate van zekerheid heeft. De stelplicht en de bewijslast ter zake van de vraag of de verzekeraar aan de kennisgevingsplicht heeft voldaan, berusten bij verzekeraar (vgl. voor dat laatste HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178).
In deze uitspraak van het Hof Den Bosch doet het volgende zich voor:
Het Hof verwerpt het verweer van de verzekerde, dat de verzekeraar de termijn van twee maanden heeft overschreden. Het Hof overweegt daarbij onder meer:
Naar het oordeel van het hof betoogt NN op goede gronden dat in elk geval vóór 27 juli 2018 onvoldoende zekerheid bestond over de schending van de mededelingsplicht door [geïntimeerde]. Daartoe heeft NN uitgelegd dat haar interne systeem op 27 juni 2018, na ontvangst van de schademelding van [geïntimeerde], een ‘code rood’ aangaf, met als gevolg dat het systeem blokkeerde en een melding bij de afdeling ‘Speciale zaken’ werd gedaan. Maar, op dat moment was nog niet duidelijk i) dat sprake was van wanbetaling door [geïntimeerde], ii) dat in het verleden op die grond enige verzekering van [geïntimeerde] was opgezegd en iii) dat [geïntimeerde] dat wist dan wel daarvan op de hoogte had moeten zijn. Daarvoor was nader onderzoek vereist. Een termijn van vier weken voor het verkrijgen van (voldoende sluitende) antwoorden op deze vragen komt het hof niet onredelijk voor, mede gelet op het onvoldoende weersproken feit dat NN geen directe toegang had tot de interne systemen van de betreffende andere zelfstandige (zuster-dochter) verzekeringsmaatschappijen (Delta Lloyd en OHRA).
Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2022:4478
A is bestuurder van een auto. Na een voetbalwedstrijd rijdt A met drie passagiers naar huis. Eén van de passagiers trekt onderweg onverwacht aan de handrem. Een eenzijdig ongeval is het gevolg. Eén van de passagiers komt te overlijden. A loopt ernstig letsel op. A vordert schadevergoeding van de WA-verzekeraar van de auto. Artikel 4.1 WAM bepaalt dat de verzekering niet behoeft te dekken de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt aan de bestuurder van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt. De vraag in dit arrest is of iemand die buiten zijn schuld de macht over het voertuig verliest, nog als bestuurder kan worden aangemerkt. Het Hof Arnhem overweegt in dit arrest hierover onder meer:
Anders dan de rechtbank in deze zaak en overigens ook de rechtbank Limburg in de zaak, die heeft geleid tot het vonnis van 12 februari 2014 is het hof van oordeel dat [naam1] niet zijn hoedanigheid van bestuurder vanaf het moment van het aantrekken van de handrem heeft verloren, waardoor hij niet meer als bestuurder aangemerkt zou kunnen worden ten tijde van het ongeval. [naam1] bleef immers de persoon die op de bestuurdersstoel achter het stuur heeft plaatsgenomen, de auto in beweging heeft gezet en de snelheid en rijrichting heeft bepaald. Hij hanteerde bedieningsorganen van het motorrijtuig en dat werd niet anders doordat de passagier plotseling aan de handrem trok en daarmee ook een bestuurshandeling uitvoerde.